Hans de Ruiter: oorlog
NGC 2207, courtesy ESO
Mijn geboortehuis en de oorlog.

Mijn grootouders van vaders kant, oma De Ruiter-Daems en (stief)grootvader Thomas van der Velde, woonden al ver voor de oorlog in het huis Reinier Claeszenstraat 27 (Amsterdam).
Hoewel het helemaal geen geheim was, is er in mijn familie maar weinig gesproken over de onderduikers tijdens de tweede wereldoorlog in ons huis. Ik wist wel dat er joodse onderduikers waren geweest, maar niemand vond het ooit nodig daar veel woorden aan te besteden. Een van die onderduikers, Rachel Pront, heb ik zelf trouwens gekend, want zij kwam tot ver in de jaren zestig eenmaal per jaar op verjaardagsbezoek bij opa Van der Velde. Pas een aantal jaren geleden heb ik met mijn moeder geprobeerd wat herinneringen vast te leggen, nadat zij nogal geërgerd was geraakt door de onbeschaamde run op uitkeringen voor oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden. Het leek inderdaad alsof zo’n beetje heel Nederland slachtoffer was geweest, en vele miljoenen joden had gered. Voor het eerst in al die jaren kreeg mijn moeder de pest in. Nooit hadden ze in mijn familie een heldenrol gezocht (gedeeltelijk om ideologische redenen), en nu zo’n 40 of 50 jaar na de oorlog liep iedereen te hoop voor een uitkering.
Mijn ouders trouwden in de zomer van 1941 en trokken in bij mijn grootouders in de Reinier Claeszenstraat 27, op de eerste verdieping. Mijn grootouders bewoonden het deel op de begane grond. De halfzuster van mijn vader, tante Suze, had ook een kamer op de eerste verdieping. Hoewel zij al getrouwd was, was haar man (oom Jo) naar Engeland gegaan in de eerste
oorlogsdagen; hij keerde pas na mei 1945 terug naar Nederland. Mijn vader had nog een (oudere) zuster, Annie, die enkele jaren voor de oorlog was getrouwd met een Duitser, Helmut Klinge, die tijdens de oorlogsjaren als soldaat in Nederland was gelegerd. Hij was legerkok en werkte bij de troepen op Schiphol. Hij kwam natuurlijk regelmatig op bezoek bij zijn schoonouders,  zodat je dan het tamelijk absurde en groteske tafereel had van een in de gang “geparkeerd” geweer, terwijl twee tot drie meter verderop de onderduikers zaten. Zo’n situatie moet ook voor hem zeer gevaarlijk zijn geweest, want volgens mijn moeder was hij op de hoogte van de aanwezigheid van onderduikers.
Ik heb hem zelf zo nu en dan gezien: vlak na de oorlog had hij verlof gekregen van de Nederlandse overheid om in ons land te blijven (er schijnt nog een petitie te zijn geweest onder de bewoners van de Reinier Claeszenstraat, hij was een “goede” Duitser). Hij is al gauw na de oorlog gescheiden van mijn tante, maar we kwamen hem nog wel regelmatig tegen. Mijn moeder vond hem een beetje een rare pief (hij was een notoire rokkenjager), maar hij was ongetwijfeld een goed en goedmoedig mens. Hij is een 2005 of 2006 gestorven (op zeer hoge leeftijd, zo tegen de 100), maar was volkomen seniel geworden.
Mijn zuster Freddie is geboren in 1942 en niet lang daarna (eind 1942 of begin 1943 neem ik aan) kwamen de joodse onderduikers. Hoe dat precies is gegaan weet ik niet en mijn moeder ook niet, maar het is vrijwel zeker dat alles door mijn grootvader is geregeld via de ondergrondse Communistische Partij.
Rachel Pront had voor de oorlog, op het President Steynplantsoen in Amsterdam-Oost, in haar achterkamer een kantoor van de Lotisico . Die Lotisico, een wat schimmig loterijbedrijf, schijnt nog steeds te bestaan, maar is nu meer een beleggingsmaatschappij, volgens Wikipedia.
 [In het boek “de N.S.B.” (auteurs Te Slaa en Klijn, 2009, Uitgever Boom) ben ik de naam Lotisico tegengekomen. Het boek beschrijft het ontstaan en de beginjaren (1931-1935) van de Nederlandse fascistische/nationaal socialistische beweging. Een van de eerste geldschieters van verschillende fascistische partijtjes was een zekere Haighton, de schatrijke (en zeer fascistische) eigenaar van Lotisico. Ik citeer (pag. 87): "Niet minder onevenwichtig dan Sinclair was Coenraad Alfred Augustus Haighton (1896-1943). Hij was de oudste zoon van de oprichter van de 'Eerste Nederlandsche Maatschappij tot Verzekering van Risico in de Loterijen', kortweg Lotisico genaamd. Na het overlijden van zijn vader in 1919 kreeg Haighton het directeurschap van het bedrijf en ook het familievermogen toevertrouwd. Zijn kapitaal stelde hem in staat om in allerlei fascistische organisaties zijn invloed uit te oefenen. Door zijn onmogelijk karakter had hij vaak binnen de kortste tijd ruzie en was zijn betrokkenheid vaak van korte duur". Later speelde hij een rol in de fascistenbond 'De Bezem', waar ook de bekendere fascist Wichman bij betrokken was. In 1933 werd hij 'Rijksleider' van de NSNAP. Het is dus wel bitter ironisch dat Rachel Pront bij Lotisico werkte]
 Rachel Pront kwam te wonen in de kamer van tante Suze op de eerste verdieping. Zij is de enige met wie mijn familie na de oorlog in contact is gebleven. Als ik mij goed herinner werkte zij na de oorlog bij de kledingzaak Gerzon.
De andere twee waren getrouwd (volgens mijn moeder een oorlogsverbintenis, al heb ik geen idee wat dat precies betekent): De ouders van Bep Jussurun woonden op de hoek van de Maasstraat en de Zuider (of Noorder?) Amstellaan, en hadden daar een lampenzaak. Tenminste, dat meent mijn moeder zich te herinneren, al is zij er niet geheel zeker van. Bep Jessurun kon onderduiken bij mijn (groot)ouders omdat zij was getrouwd met Hans Rabbi: Rabbi’s vader was voor de oorlog opzichter van een aantal woningen in de Reinier Claeszenstraat, waaronder nummer 27.
Bep Jessurun en Hans Rabbi namen hun intrek in de kelder, die later op mij een grote aantrekkingskracht uitoefende. Ik kan  me nog de geur van de steenkool voor de geest halen die daar lag opgeslagen. Het enige wat men weet van Hans Rabbi en Bep Jessurun, is dat ze na het einde van de oorlog naar het buitenland zijn vertrokken. Er is nooit meer iets van ze vernomen.
De onderduikers zijn niet helemaal tot het einde toe gebleven. Ze zijn door opa Van der Velde weggebracht naar elders, d.w.z. buiten Amsterdam, in verband met de te gevaarlijke situatie: er was een inval geweest. Ze zaten in de keuken garnalen te pellen, en moesten halsoverkop de tuin in. Helaas weet mijn  moeder niet meer precies wanneer dit is gebeurd, maar ik vermoed ergens in de zomer van 1944. De schuilplaats in de kelder is niet gevonden, er is naar ik aanneem ook niet naar gezocht. De inval, van Nederlandse agenten (bureau Admiraal de Ruyterweg) was namelijk voor mijn moeder bedoeld en niet voor mijn grootvader of de onderduikers, daar wist men niets van. Dat was vanwege een joodse buurjongen van ma’s ouders in de Kraaipanstraat, Isi Allegro, die een jongen had gestuurd om bonkaarten naar hem te brengen. (Bonkaarten of stamkaarten, die Allegro zelf gebruikte; men weet niet voor verzet of voor eigen gewin.) De bonkaarten voor Isi Allegro waren naar mijn moeder gebracht in de Reinier Claeszenstraat 27 via de ondergrondse (een groep waar mensen van de universiteit bij betrokken waren). De jongen is met de bonkaarten op de Wiegbrug met een op de brug gestolen fiets aangehouden. Buitengewoon dom natuurlijk. Hij noemde Isi Allegro, die op zijn beurt de naam van mijn moeder noemde (iets waar zij nog kwaad om kan worden). Uiteindelijk zei de jongen dat hij haar niet kende. Mij moeder en grootvader werden naar het bureau gebracht, maar de zaak is niet verder geëscaleerd (hoogst waarschijnlijk waren de agenten in orde, die waren er namelijk ook). Was Isi Allegro zelf ook ondergedoken? Dit zou ik nog eens moeten vragen aan mijn moeder: (Inmiddels gedaan, maar zij weet dat zelf ook niet meer, ook niet wat er van hem geworden is.)
Later is er voor korte tijd nog een onderduikster geweest (Ans Blauw of Blaauw). De andere onderduikers waren toen al vertrokken. Tijdens de hongerwinter waren er geen onderduikers meer. Mijn moeder maakte lange tochten per fiets vooral door de kop van Noord-Holland. Gelukkig was een bekende van mijn vader afkomstig uit een boerenfamilie, die mijn ouders en Freddie door de hongerwinter geholpen heeft.
  [Dr. Piet Nobel, een chemicus van de universiteit, die na de oorlog vele jaren conservator was van het Instituut voor Anorganische Scheikunde; in de jaren ’70 en ’80 gingen mijn ouders vaak met de Nobels op vakantie, en tot vrij recent belde mijn moeder nog regelmatig met mevrouw Nobel, die inmiddels in 2016 is overleden.]
Tegen het einde van de oorlog is er nog een zekere Duiking Deurne (of zoiets, geen enkele referentie naar die naam gevonden, en het kan ook een pseudoniem geweest zijn) in huis geweest, maar mijn moeder weet daar zelf ook het fijne niet van en mijn grootvader heeft er verder nooit over gesproken. Die hoe die ook heten mag kwam uit de Zaanstreek en moest in de gaten gehouden worden. Hij was rond de bevrijding bij het verzet (de BS), maar waarschijnlijk was hij eerder een collaborateur geweest.
[Update 13 augustus 2010. Mijn moeder heeft hier over gesproken met tante Suze, die blijkbaar nog veel weet van die jaren. Duiking Deurne blijkt een pseudoniem te zijn van iemand van de familie Heldring, zeer bekende “patriciërs”, die hoorden bij de Amsterdamse en Nederlandse elite. Deze persoon was inderdaad “fout” en werd tegen het einde van de oorlog in de gaten gehouden.]

Back-Terug

Thera, Fisherman Fresco
Rome, May 2009


Hans de Ruiter, INAF - Istituto di Radioastronomia
Via Gobetti, 101, 40129 Bologna, Italy