Hans de Ruiter's CV:
Amsterdam (1)

NGC 2207, courtesy ESO
A formal CV (in English) is given in pdf format. This version was updated in 2007, but no significant changes have occurred since then.
A more informal story is given below in Dutch. It contains much more non-scientific information, and also a number of pictures. It continues with "Amsterdam (2)", "Leiden", Genève" and "Bologna"; just click on the menu (left).

Amsterdam (1) (in Dutch)

Cola en Estelle Debrot heb ik leren kennen op een literaire bijeenkomst die gehouden werd in een huis aan de Postjeskade te Amsterdam. Het was zondag 4 maart 1945. Men had mij verteld dat zij enige tijd in Parijs hadden gewoond, voor de oorlog en daar de schrijver Louis-Ferdinand Céline hadden gekend, die ik zeer bewonderde. Elisabeth Graig, een amerikaanse danseres aan wie "Voyage au bout de la nuit" is opgedragen was een vriendin van Estelle Debrot.
Ik had "Voyage au bout de la nuit" en "Mort à Crédit" gelezen, maar wist verder niets van Céline af, die toen in Nederland totaal onbekend was. Zijn antisemitische boeken kende ik niet, ik wist zelfs niet dat ze bestonden.
Cola Debrot liet mij eens, herinner ik me,een brief lezen van Céline aan hem, waarin sprake was van 'la médecine, cette merde' (het artsenberoep, die hondebaan), uitdrukking die ook in zijn romans is te vinden. Overigens was het lang geleden dat Cola en Estelle in Parijs woonden en de omgang met Céline had plaatsgevonden in de periode voor 'Louis' met zijn "Voyage" beroemd werd. Ook zij waren onbekend met zijn latere ontwikkeling.
Zelf was Debrot ook huisarts. Hij was gevestigd in de Reynier (sic) Claeszenstraat (no. 1), Amsterdam West, een soortgelijke armoebuurt als de buurten die Céline beschrijft. Ik heb Cola daar menigmaal opgezocht, speciaal om hem gezelschap te houden als hij nachtdienst had, maar misschien is dit duidelijker uit te drukken. Mijn gezelschaphouderij bestond uit weinig anders dan luisteren en elk ogenblik in lachen uitbarsten om zijn verhalen. Conversatie is ook een vorm van literatuur en Debrot is van alle Nederlandse schrijvers daarin werkelijk de grootste. Van zijn magisch vermogen zijn toehoorders aan het lachen te maken en urenlang bezig te houden, had hij nog niets verloren toen hij als goeverneur over de Nederlandse Antillen heerste. (Willem Frederik Hermans, "De laatste resten tropisch Nederland", Hoofdstuk 16, De Bezige Bij, Amsterdam, 1969, 1972)

Mijn geboortehuis staat in de Reinier Claeszenstraat, om precies te zijn nummer 27 eerste verdieping. Ik ben een jaar of tien geleden nog eens wezen kijken, en het huis bestaat nog steeds. Beneden woonden mijn grootouders (zie foto in de tuin: mijn tante Suze, grootmoeder, moeder en mijn zuster Freddy, waarschijnlijk in de zomer van 1944). De straat is beschreven door Willem Frederik Hermans in "De laatste resten tropische Nederland", in het hoofdstuk waarin Hermans zijn wederwaardigheden met de schrijver en goeverneur van de Nederlandse Antillen, Cola Debrot beschrijft, vooral in de laatste periode van de tweede wereldoorlog. Inderdaad was Cola Debrot de huisdokter van onze familie en in die hoedanigheid bij mijn geboorte aanwezig.

Reinier Claeszenstraat
In de tuin van ons huis in de Reinier Claeszenstraat 27: tante Suze, oma De Ruiter-Daems, mijn moeder en mijn zusje, omstreeks 1944.

De lagere school, de Van Rijnschool in de Jan van Galenstraat was vlakbij en, zoals toen gebruikelijk, gingen ook kinderen van vijf of zes jaar zonder problemen alleen op straat. Het idee dat je ouders je naar school brachten zou ik toen met afkeer en walging hebben afgewezen. Mijn wereld was het vierkant begrensd door de Admiraal de Ruyterweg (aan twee kanten), de Willem de Zwijgerlaan en de Jan van Galenstraat, waar ik mij geheel vrij kon bewegen en spelen met vriendjes. Op school leerde ik nog schuin schrijven, zoals vele generaties voor mij hadden gedaan, met een kroontjespen die elk ogenblik in de inktpot moest worden gedoopt. Het schoonschrijven is nooit wat geworden, want ik ben linkshandig en dus ploegde ik regelmatig met de pen in het papier, met als gevolg vieze inktvlekken. Maar de rest ging een stuk beter, en ik kan niet ontkennen dat ik altijd met plezier naar school ging.

Reinier Claeszenstraat
In de tuin van ons huis in de Reinier Claeszenstraat 27: mijn zusje Freddy en ik, omstreeks 1950.
Ik was gefascineerd door het hoorspel "Monus de maan van de maan", elke zondagmiddag om half zes op de vara-radio, maar toen ik eindelijk met mijn vader naar de Arbeiderspers boekwinkel in de Jan Evertsenstraat ging om het boek te kopen werd hij door de geitenwollensokken verkoper omgepraat om in plaats van Monus (geen goede lectuur) het boek "Abeltje" van Annie M.G. Schmidt te nemen. Mijn reactie was zodanig dat ik de volgende dag ook "Monus, de man van de maan", kreeg. Tussen mij en Annie M.G. Schmidt is het nooit meer helemaal goed gekomen, trouwens ook niet tussen mij en alle andere halve gare geitenwollensokken in de wereld. Ik denk dat ik toen al, zo rond 1954, een voorliefde voor sterrenkunde kreeg, die enkele jaren later nog werd versterkt door de mythische TV serie "Morgen gebeurt het", van Mies Bouhuys, met Ton Lensink in de hoofdrol.



Hans de Ruiter, INAF - Istituto di Radioastronomia
Via Gobetti, 101, 40129 Bologna, Italy